Herfstgedichten - Bladerbeer

Ga naar de inhoud

Herfstgedichten

Seizoensgedicht
Herfst 2016

Lars Erik Einar Gustafsson (Västerås, 1936) is een internationaal georiënteerde Zweedse schrijver van romans, verhalen, gedichten, essays, reisbeschrijvingen en filosofische beschouwingen. Zijn eerste bundel poëzie, Balongfararna, verscheen in 1962. En biodlares död (1978; De dood van een imker) werd zijn doorbraak als romanschrijver, ook buiten de grenzen van zijn geboorteland. In de jaren 80 emigreerde hij naar Texas. Hij bleef er ruim 20 jaar. In 2006 kwam hij terug naar Zweden. De lijst van publicaties is lang: meer dan 70 titels verschenen tussen 1957 en nu. Tijdens zijn presentatie op de boekenbeurs in Göteborg in 2012 vertelde hij dat hij zijn gedichten als zijn beste werk beschouwt. Gustafsson was bevriend met de Zweedse dichter Tomas Tranströmer († 2015) die in 2011 de Nobelprijs voor literatuur won. Het wintergedicht van 2011/12 is van Tranströmer (‘Trädet och skyn’).

Dit gedicht is opgenomen in de bundel Stenkista (1994, Albert Bonniers Förlag). Het pakt de draad op van ‘Om själen finns’ uit diezelfde bundel, het herfstgedicht van vorig jaar.
Själarna efter döden
Jo, själarna finns.
Efter döden

har de inte så mycket att säga.
Inte mycket att frukta eller önska heller.

Eftersom de befriats
från kroppen, denna aldrig sinande

källa till njutningar och smärta,
känner de ingen skräck.

Eftersom de inte heller kan dö
mer än en gång är även deras respekt för Gud
begränsad.

Om höstarna blir de mera sällskapliga,
och man ser dem i stora flockar
över fälten,

stigande i märkliga virvlar
mot en himmel som de dock aldrig når.

De zielen na de dood
Jazeker, de zielen bestaan.
Na de dood

hebben ze niet veel te zeggen.
Evenmin veel te vrezen of wensen.

Aangezien ze bevrijd zijn
van het lichaam, deze niet aflatende

bron van genoegens en pijn,
kennen ze geen angst.

Aangezien ze ook maar één keer
kunnen sterven, is hun eerbied voor God
begrensd.

In de herfst verzamelen ze zich,
je ziet ze zweven boven de velden
in een wolk van pluisjes,

in wonderlijke wervelingen stijgen ze op,
een hemel tegemoet die ze nooit zullen bereiken.

Luister hoe het gedicht klinkt.
La Bohème
Herfstgedicht 2016
Själarna efter döden
00:00
Herfst 2015

Lars Erik Einar Gustafsson (Västerås, 1936) is een internationaal georiënteerde Zweedse schrijver van romans, verhalen, gedichten, essays, reisbeschrijvingen en filosofische beschouwingen. Hij heeft zich ook altijd gemengd in het politieke debat. Zijn eerste bundel poëzie, Balongfararna (De ballonvaarders), verscheen in 1962. En biodlares död (1978; De dood van een imker) werd zijn doorbraak als romanschrijver, ook buiten de grenzen van zijn geboorteland. Hij woonde en werkte onder andere in Duitsland (Berlijn). In de jaren 80 emigreerde hij naar Texas in de VS. Aan de Universiteit van Austin gaf hij colleges filosofie en creatief schrijven. Hij bleef er ruim 20 jaar. Zijn tweede echtgenote was joods, en Gustafsson verruilde het lutherse geloof voor het jodendom. Dat was in lijn met zijn liefde voor het gedachtengoed van Martin Buber en Immanuel Levinas. Hij omschrijft zichzelf niet als een gelovige, maar als iemand die zoekt.
In 2006 kwam Lars Gustafsson terug naar Zweden. De lijst van publicaties is lang: meer dan 70 titels verschenen tussen 1957 en nu. Tijdens zijn presentatie op de boekenbeurs in Göteborg in 2012 vertelde hij dat hij zijn gedichten als zijn beste werk beschouwt. Gustafsson was bevriend met de Zweedse dichter Tomas Tranströmer († 2015) die in 2011 de Nobelprijs voor literatuur won. Het seizoensgedicht van winter 2011/12 is van Tranströmer (‘Trädet och skyn’).

Dit herfstgedicht is niet het eerste seizoensgedicht van Lars Gustafsson dat ik koos. Ook het zomergedicht van 2012 komt van hem, met als titel een vraag: ‘Hoe weet het water dat de boot komt?’, waarna de observatie volgt die zo kenmerkend is voor zijn poëzie.
Van dit herfstgedicht, uit de bundel Stenkista (1994), maakte ik twee versies, omdat een vertaling op veel manieren kan. In beide vertalingen blijft intact wat me treft in Gustafssons gedichten: de waarneming gaat boven de verklaring.
Om sjalen
Om själen finns,
är det inte viktigt
om den är dödlig eller odödlig.

Det viktiga är att själen finns.
(Kropparna är ju så lika.)
-------------------------
Als de ziel bestaat
is de vraag niet
is ze sterfelijk of onsterfelijk?

Waar het om gaat is dat de ziel bestaat.
(Kijk maar naar het lichaam.)
     ----------------
Als de ziel bestaat
gaat het er niet om
of ze sterfelijk is of onsterfelijk.

Waar het om gaat is dat de ziel bestaat,
net als de lichamen.

Luister hoe het gedicht klinkt.
La Bohème
Herfstgedicht 2015
Om sjalen
00:00
Herfst 2014
Hoe zou je stem zijn,
en welk lied zou je zingen,
spin, in de herfstwind?

Dit haiku-gedicht is van Matsuo Bashō (松尾芭蕉). Hij leefde in de 17e eeuw en wordt gezien als een van de grote meesters in het genre. Haiku betekent ‘schertsend gedicht’ en is in Japan ontstaan uit een oudere vorm: ‘geestige briefjes’ die geliefden aan het hof elkaar stuurden. Een haiku bestaat uit drie regels met een vaste lengte aan lettergrepen (5-7-5). Het is te danken aan Bashō dat de haiku een versvorm werd voor ‘het volk’, ook over alledaagse onderwerpen.
Luister hoe de haiku klinkt.
La Bohème
Herfstgedicht 2014
Haiku
00:00
Bashō ging op zijn 21ste jaar een Zen-klooster in. Hij volgde zijn haiku-leraar naar Edo (het tegenwoordige Tokio) om zich te verdiepen in Zen en de oude Chinese en Japanse cultuur. De volgelingen die Bashō als haiku-meester later zelf kreeg, tekenden de verzen op die hij uitsprak. Bashō worstelde zijn hele leven met geldgebrek. Zijn zelfgekozen dichtersnaam betekent ‘bananenboom,’ een verwijzing naar de boom die een van zijn welgestelde leerlingen plantte voor zijn hut.
Deze haiku is opgenomen in de bundel Een jonge maan (Meulenhoff, 1973), waarin de gedichten gerangschikt zijn naar seizoen (de klassieke indeling). Het gebruik van ‘zou’ in de eerste twee regels schept afstand, in mijn leeservaring, maar het is ingegeven door het patroon van lettergrepen. Het gebruik van ‘zou’ in de eerste twee regels schept afstand, in mijn leeservaring, maar het is ingegeven door het patroon van lettergrepen. Ik vond een vrije versie op internet die zo begint: ‘Wat roep jij daar spin, en met wat voor stem?’

'Een haiku is een momentopname die overdenking verdient,’ schrijft de inleider in het voorwoord van De jonge maan. De herfst is de tijd van overdenking, en van de kruisspinnen.
Ze weven hun draden tussen de takken van de kamperfoelie. Ze kijken door mijn raam naar binnen en vangen vliegjes zonder van hun plek te komen. Als het regent, hangen er druppeltjes aan de ragfijne draden die niet breken, alleen buigen.
Ik volg de draden van het buigzame web van de zingende spin in de wind en kom uit bij een gedicht dat ik schreef met muziek van benedictijner monniken als inspiratiebron. Het gaat ook over de herfst, met een late zwaluw op weg.



Chants de la liturgie slavonnne
Muziek is een huis op de rots
je kijkt zo de hemel in.
De zwaluw komt van de bergen.

Tijd is water in een diepe schaal.
Sparren staan aan de rand, als wachters.
Er hangt mist boven het meer.

De wind steekt op.
Het stormt om het huis.
De zwaluw laat zich dragen.
De sparren buigen.
Ze breken niet zoals wij soms.

Luister hier hoe het tweede gedicht klinkt.
La Bohème
Herfstgedicht 2014
Chants de la liturgie slavonnne
00:00
De titel van dit gedicht is de titel van een elpee met monnikenzang in het klooster van Chevetogne (Frankrijk) dat in 1925 werd gesticht. Er wonen monniken uit de hele wereld (onder andere uit Japan en uit Nederland); het klooster heeft een oecumenische missie. Het koor zingt Byzantijnse liturgische gezangen (Slavisch en Grieks). De sfeervolle muziek van de elpee Chants de la liturgie slavonne (1965; inmiddels ook op cd gezet) is te beluisteren op http://www.youtube.com/watch?v=cSmqGNl2MH4 of op http://www.youtube.com/watch?v=K8sZwmOkq4Q. (Dit is een langere opname met een betere weergavekwaliteit).
Het klooster heeft ook een eigen website: www.monasterechevetogne.com.
Herfst 2013

Het herfstgedicht is van Jan van Nijlen (1884-1965). ‘Oud salon’ is opgenomen in De dauwtrapper, een bundel die in 1947 verscheen.
Jan van Nijlen werd geboren in Antwerpen en debuteerde in 1906 onder pseudoniem met Verzen, waarna vele bundels volgden onder zijn eigen naam. Hij werkte mee aan onder andere het literaire tijdschrift Dietsche Warande. In Nederland werd zijn werk uitgegeven door Van Oorschot. Jan van Nijlen was bevriend met schrijvers als Willem Elsschot en J.C. Bloem. Onder zijn vrienden waren ook kunstschilders.
Zijn gedichten zijn vaak bekroond. In 1955 kreeg hij de vijfjaarlijkse Staatsprijs voor Vlaamse Letterkunde, en in 1963 de Constant Huygensprijs. Verlangen is een terugkerend thema in zijn poëzie. Een onderwerp dat in de gedichten vaak terugkomt, is zijn kindertijd.

‘Oud salon’ is een sonnet. Het rijm volgt een voorgeschreven schema, maar het dwingt nergens. En het ritme voelt natuurlijk aan. Dit gedicht is in feite een wonder van metrum, maar van het gepuzzel dat eraan voorafgegaan moet zijn, merk je niets.
In het eerste kwatrijn is de sombere toon gezet. De salon is bevolkt met zware stoelen, de wand is grijs en de schilderijen hangen in (nagenoeg) zwarte lijsten. De regel ‘In zulke kamers in men altijd oud’ is een bevestiging van die status quo met weinig beweging. In het eerste terzet ligt de nadruk op ‘hoe het hoort’; opnieuw een weinig aantrekkelijk beeld. De salon is een  plek waar niets van buiten in doordringt: geen straaltje regen, geen vleugje wind, geen spatje zon. En wat er wel is aan natuur, heeft stekels en kan niet uitbundig bloeien. Maar in de laatste drie regels verandert alles. De kamer blijkt een welkome vluchtheuvel, een plek om je in je eigen stemming te hullen, los van wat er buiten gebeurt. Het is een plaats waar je alle ruimte hebt om je eigen gedachten te volgen. Het ‘oud’ van de salon heeft niets te maken met versleten of uitgeblust. Het gaat om ouderdom in de zin van bespiegeling. Daar is wel een zekere leeftijd voor nodig, maar je hoeft er niet bejaard voor te zijn. Bovendien ben je oud voor de duur van je verblijf in zo’n kamer die uitnodigt om terug te kijken.
Hef het glas op de herfst, lijkt de dichter te zeggen, laten we klinken op het seizoen van bezinning.

Oud salon
Zes zware stoelen staan hier langs de muren
en de piano is van ebbenhout;
aan grijzen wand landschappen met figuren
in zwarte lijsten met een streepje goud.

In zulke kamers is men altijd oud,
de zomerdagen en de winteruren
zijn even lang, alles is sterk gebouwd
en kan, ofschoon bouwvallig, eeuwen duren.

Er staan, zoals het hoort, voor de gordijnen
een oude cactus en een clivia,
die één week bloeien en dan verder kwijnen.

Hier heerst de vrede, de eeuwigheid bijna…
In zulke kamers drinkt men oude wijnen
en denkt men rustig over ’t leven na.

Luister hier hoe het gedicht klinkt.
La Bohème
Herfstgedicht 2013
De salon
00:00
Herfst 2012

Het is hoog tijd voor het herfstgedicht, en dit keer kwam ik uit bij een Nederlandse dichter die veel schreef over de seizoenen: J.C. Bloem (1887-1966). Toen ik de inhoudsopgave bekeek van de bundel Verzamelde gedichten die in 1965 in eerste druk verscheen bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep, viel het me weer op dat opvallend veel gedichten al in hun titel naar een seizoen verwijzen.  ‘Najaarsmist’ gaat vergezeld van de titels ‘Herfstdag’, ‘Najaarsdag’, ‘Herfst’, ‘Oktober’, en ‘November’.
De aandacht voor seizoenen zie ik in het licht van de aandacht van de dichter Bloem voor het menselijk lot. De herfst blijkt dan bij uitstek het symbool voor een onvervuld bestaan. Het verlangen delft steeds opnieuw het onderspit tegen de ontgoocheling. Alleen het ontembare hart weet de schijnbaar onontkoombare eenzaamheid te overwinnen – maar dat gebeurt in een ander seizoen.
Najaarsmist
Het landschap dat, nu stilte en avond dalen,
In lage, lichte nevelen verdwijnt,
Is als de hemel, waar de herfstmaan schijnt
Door wolken heen, waarachter sterren stralen.

De duistre hoeven, door het land verspreid,
En langs den kouden weg de lege bomen
Gaan in den mist teloor. De harten stromen
Vol van het najaar en zijn eenzaamheid.

Luister hier hoe het gedicht klinkt.
La Bohème
Herfstgedicht 2012
Najaarsmist
00:00
Terug naar de inhoud